Eveline Kroezen

Categorie archief: 'welzijn & maatschappelijke dienstverlening'

De afgelopen paar jaar heb ik diverse opdrachten gedaan bij organisaties, die medewerkers leveren aan wijkteams. Zo heb ik allerlei varianten van wijkteams voorbij zien komen. Elke organisatievorm heeft zijn voor- en nadelen. De vorm moet passen bij de omgeving. Een dorp heeft gezien haar sociale context een ander wijkteam nodig dan de grote stad.

Vanzelfsprekend begint de wijze waarop een wijkteam wordt georganiseerd altijd bij het doel. Waarom wil een gemeente een wijkteam, wat wil de gemeente ermee bereiken en voor wie? Op basis daarvan kunnen keuzes gemaakt worden hoe het wijkteam te organiseren. Hierna geef ik een aantal afwegingen, die daarbij gemaakt kunnen worden. Er is geen goed of fout, het gaat er immers om welk doel een gemeente wil bereiken.

  • Werkt het wijkteam voor alle bewoners in de wijk of wordt er een apart jeugdteam geformeerd?
  • Welke taken worden bij het wijkteam belegd? Voert het wijkteam de indicatiestelling uit?
  • Hoe is de samenstelling van het wijkteam? Nemen medewerkers van zorginstellingen deel aan het wijkteam en zo ja, van welke instellingen? Maken de gemeenteambtenaren deel uit van het wijkteam?
  • Wie coördineert het wijkteam? Doet de gemeente dat zelf of belegt zij de coördinatie bij een of meerdere van de instellingen, die deelnemers aan het wijkteam leveren?
  • Hoe is de registratie geregeld? Wat registreer je? Doe je dat in het registratiesysteem van de betrokken instellingen en komt er een gemeenschappelijk registratiesysteem?
   

Geen reacties » | Permanente link

“Kan ik nog naar zwemmen?” Deze vraag werd gesteld tijdens het transitiedebat, dat ik onlangs bijwoonde. Bij het debat waren politci, cliënten en hulpverleners uit de hele provincie aanwezig. Er werden vele mooie en verstandige woorden gesproken over zelfredzaamheid, wijkgericht werken en eigen kracht. Cliënten en hun famllieleden vertelden indrukwekkende verhalen.

“Kan ik nog naar zwemmen?’. Ergens halverwege het debat stelde een vrouw, ik had de indruk dat ze verstandelijk beperkt was, die vraag. Niemand kon er antwoord op geven. Zowel politici als hulpverleners stonden met hun mond vol tanden.

De transitie gaat over kwetsbare burgers. Daar praten we steeds over en daar maken we mooie plannen voor. Maar op een simpele vraag van zo’n kwetsbare burger kan niemand antwoord geven.

 

   

Geen reacties » | Permanente link

Mantelzorgers, die zorgen voor mensen met een verstandelijke beperking of voor mensen met psychiatrische problematiek, kampen met specifieke problemen. Dat blijkt uit onderzoek van Riek Kwekkeboom. Zij spreekt bij deze groep over bijzondere mantelzorg.

De meeste mantelzorgers zorgen voor een oudere en/of chronisch zieke. Het zijn over het algemeen partners of kinderen van de patiënt. De hulp die zij bieden is praktisch en bestaat uit huishoudelijke hulp, hulp bij persoonlijke verzorging of verpleging. Het beleid rond mantelzorgondersteuning richt zich meestal op deze groep.

Bijzondere mantelzorgers hebben een andere relatie tot de patiënt. Zij zijn meestal de ouder of een broer of zus van de patiënt. Zij zijn gedurende een lange periode mantelzorger, gemiddeld dertig jaar, en mede daardoor is hun belasting groter. Ook hebben zij minder mogelijkheden om de mantelzorg met anderen te delen. Bijzondere mantelzorgers bieden vooral ondersteuning bij emotionele problemen. Mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek willen immers graag meedoen aan de maatschappij. Zij gaan naar school en zoeken werk en vrije tijd besteding. Zij vragen ondersteuning om dat voor elkaar te krijgen.

De vraag doemt op of er speciaal beleid ontwikkeld moet worden voor bijzondere mantelzorgers. Dat denk ik niet. Ik denk echter wel dat het goed is om mantelzorgondersteuning zodanig in te richten dat ook bijzondere mantelzorgers zich erin herkennen, zich erdoor aangesproken voelen en er baat bij hebben.

   

Geen reacties » | Permanente link

Sep 8

Mantelzorg

geplaatst om 23:28 in categorie welzijn & maatschappelijke dienstverlening

Afgelopen vrijdag heb ik tijdens de wekelijkse bijeenkomst van C3 een presentatie gegeven over mantelzorg en mantelzorgondersteuning. Ik vertelde daar dat er in Nederland 2,6 miljoen mantelzorgers zijn. 1,1 miljoen mensen zorgen zelfs meer dan 8 uur per week en langer dan drie maanden voor een naaste. 450.000 mantelzorgers voelen zich overbelast.

Mijn collega’s bij C3 waren zeer verbaasd over deze aantallen. Zij hadden nooit gedacht dat er zoveel mantelzorgers zouden zijn en vroegen zich af waarom er dan zo op gehamerd wordt dat mensen langer en meer voor elkaar moeten zorgen.  Mijn collega’s bij C3 weten heel veel van de zorg. Zij volgen de ontwikkelingen in de zorg nauwlettend  en leveren daar ook hun bijdrage aan. Het is dus opvallend dat zelfs zij zo weinig over mantelzorg weten.

Naar mijn idee is dit niet uitzonderlijk. In Nederland zorgland gaat het vrijwel nooit over mantelzorgers en over de bijdrage, die mantelzorgers leveren. Er is weinig kennis over mantelzorgers en de specifieke problemen waar zij mee worstelen. Tegelijkertijd is het beleid dat mensen langer en vaker voor hun naasten moeten zorgen. Het aantal mantelzorgers en de belasting per mantelzorger zal dus toenemen. Laatst haalde een instelling het nieuws, omdat zij de inzet van familie zelfs verplicht gaan stellen.

Zorginstellingen zouden meer oog moeten hebben voor mantelzorgers. Niet alleen omdat zij de professionele zorg kunnen ontlasten. Maar ook omdat het goed is voor de cliënt en voor de instelling dat de mantelzorger op de been blijft en het volhoudt. Ik denk zelfs dat zorginstellingen zich hiermee kunnen onderscheiden. Dat cliënten voor een zorginstelling kiezen, die zich niet alleen verantwoordelijk voelt voor de cliënt, maar ook voor het welzijn van diens omgeving. Dit vraagt om een fundamenteel andere kijk op en aanpak van de zorg. Het is dan niet meer “zorgen met de mantelzorger”, maar “zorgen met en voor de mantelzorger”.

   

Geen reacties » | Permanente link

Ik ben ervan overtuigd dat de welzijnssector een belangrijke rol kan spelen in het terugdringen van de vraag naar zorg. Daarom verbaast het mij dat het in de discussies over de toenemende vraag naar en de hoge kosten van de zorg (bijna) nooit over de welzijnssector gaat. De discussies gaan over de rollator uit het pakket, de indicatiestelling en, zoals minister Schippers vandaag bepleitte tijdens de conferentie over “Zorg en ondersteuning in de buurt”, over het tegengaan van verspilling. De discussies gaan nauwelijks over preventie. Er wordt weinig gesproken over het creëren van maatschappelijke verbanden, waardoor mensen beter in staat zijn om voor zichzelf en voor elkaar te zorgen. Dat zou immers pas echt een besparing opleveren. Eerlijk gezegd verbaast het me niet alleen dat de welzijnssector zo weinig aan bod komt, het irriteert me ook.

In haar blog in Zorg en Welzijn vergelijkt Anneke Krakers de maatschappelijke dienstverlening met een oude stoel. Een oude stoel, die al jaren in de kamer staat en die je nauwelijks meer opmerkt. Totdat de stoel ineens in de weg staat en het opvalt dat de stoel wel erg versleten is. Volgens haar kan iets wat doodnormaal is nooit gewaardeerd worden als superwaardevol. Vervolgens roept zij werkers uit het welzijn op om hun werk superwaardevol te maken.

Zou het echt zo simpel zijn? Moet de welzijnssector gewoon zorgen dat zij een bijzondere stoel wordt en zich hierop profileren? Voor mij staat buiten kijf dat de welzijnssector zich beter zou moeten profileren. Er zijn een aantal redenen waarom dit niet gebeurt. Ten eerste zijn welzijnsorganisaties van oudsher locaal georiënteerd, omdat zij door gemeentes gefinancierd worden. Zij zijn landelijk wel verenigd, maar dit is mager en uiteindelijk staat het eigen locale belang voorop. Ten tweede zijn welzijnsorganisaties gewend om van weinig geld rond te komen. Het voordeel daarvan is dat ze heel goed zijn om voor weinig geld veel te doen. Het nadeel is echter dat ze niet gewend zijn om geld te spenderen aan profilering en publiciteit. Ten derde kunnen welzijnsorganisaties hun resultaten slecht aantonen, laat staan de besparingen die ze behalen op de zorg. Het is altijd moeilijk om preventieve resultaten te laten zien. Er zijn wat onderzoeken, die aantonen dat de gezondheid in een buurt beter wordt als er meer welzijn wordt ingezet. En onderzoeken die laten zien dat 1 euro investering in welzijn gemiddeld 4 euro zorg bespaart. Maar de bewijzen zijn nog mager en vragen meer onderbouwing.

Maar er is meer aan de hand. Welzijn richt zich op kwetsbare burgers. Deze mensen zijn niet gewend om voor zichzelf op te komen en zich te profileren. Het is politiek ook geen aantrekkelijke groep. Ik zal nooit vergeten dat mijn organisatie was genomineerd voor een publieksprijs. Er werden filmpjes gemaakt van de genomineerden. Toen ik het filmpje van onze tegenstander zag, wist ik dat wij niet zouden winnen. Het was namelijk een organisatie, die sportevenementen organiseerde voor mensen met een verstandelijke beperking. Een leuke, tafeltennissende mongool spreekt nu eenmaal meer aan dan een buurthuisbezoeker, die slecht uit zijn woorden komt.

Misschien is de welzijnssector juist wel een oude stoel. Een stoel, die we al jaren hebben en die lekker zit. Misschien moeten we juist die oude stoel beter benutten en meer waarderen. De stoel geeft immers een persoonlijke noot en zorgt dat we ons thuis voelen. En eens in de zoveel jaar een nieuwe stofje kan natuurlijk ook geen kwaad.

   

1 Reactie » | Permanente link

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft berekend dat met ingang van 2013 ruim 200.000 mensen hun indicatie voor begeleiding en/of dagbesteding verliezen. Tweehonderdduizend mensen! Vijfendertig procent van deze mensen heeft psychiatrische problemen, zoals schizofrenie of een persoonlijkheidsstoornis. Ongeveer dertig procent heeft een verstandelijke beperking. Al deze 200.000 mensen hadden voorheen recht op zorg, die werd betaald vanuit de AWBZ. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van deze zorg wordt overgedragen aan gemeentes. Bovendien vervalt het recht op zorg, het wordt een voorziening. Simpel gezegd betekent dit dat gemeentes zorg kunnen weigeren als het geld op is.

Gemeentes hebben dus de taak om voorzieningen te organiseren voor mensen met chronische beperkingen. Dat is een grote opgave. Zeker omdat de verwachting is dat gemeentes dat beter en goedkoper kunnen doen dan de AWBZ. Zij kennen de locale situatie immers en kunnen vrijwilligers, mantelzorgers of locale welzijnsvoorzieningen inzetten. Maar gemeentes hebben nog niet zoveel verstand van deze 200.000 mensen en hun beperkingen. Laat staan van de specifieke behoeftes van deze mensen. Daardoor zijn veel gemeentes geneigd om de bestaande zorg voort te zetten en de bestaande zorgaanbieders in te zetten. Dat vind ik jammer. Naar mijn idee zou het goed zijn als gemeentes hun eigen visie ontwikkelen. Bij voorkeur een visie, waarin participatie centraal staat. Vanuit deze visie kunnen zij een samenhangend aanbod ontwikkelen en aangeven welke vragen zij hebben aan zorgaanbieders. Dit lijkt me een spannend proces, waardoor de zorg echt kan vernieuwen. En, veel belangrijker, waardoor de maatschappelijke participatie van deze 200.000 mensen met een beperking groeit.

 

 

   

Geen reacties » | Permanente link

C3 denkt na over de toekomst van de zorg. De vraag naar zorg zal de komende jaren immers toenemen. Dit komt doordat de zorg steeds meer mensen kan helpen. Bovendien doet de gemiddelde Nederlander eerder een beroep op de zorg dan vroeger. Ook de vergrijzing speelt een belangrijke rol. De vraag is hoe de zorg al deze zorgvragen kan beantwoorden. Natuurlijk moet de zorg de mogelijkheden, die ICT biedt, veel beter benutten. Natuurlijk moeten onnodige onderzoeken en behandelingen zo snel mogelijk geschrapt worden. Natuurlijk moeten zorginstellingen veel beter en efficiënter met elkaar samenwerken. En natuurlijk moet er een oplossing gevonden worden voor het dreigende personeelstekort.

Toch denk ik dat de oplossingen vooral buiten de zorg gezocht moeten worden. Dat we er  vooral voor moeten zorgen dat minder mensen een beroep doen op de zorg. Dit kan door het bevorderen van een gezonde leefstijl. En door het stimuleren van sociale verbanden, waardoor mensen meer voor elkaar gaan zorgen. Dit kan door het faciliteren van mantelzorgers en door de talenten van mensen met een beperking beter te benutten.

Over dit soort oplossingen zou het veel meer moeten gaan. Dit vraagt van de zorg dat zij buiten haar eigen kaders denkt. En dat zij bereid is om los te laten en misschien zelfs wel om een deel van haar budget in te leveren. Het vraagt van verzekeraars en overheid de moed om flink te investeren in de informele zorg en in preventie. Ook al zijn de voordelen op dit moment nog niet altijd aantoonbaar. En het vraagt van welzijn en maatschappelijke dienstverlening dat zij vernieuwende concepten ontwikkelt en dat zij de resultaten van haar werk veel beter zichtbaar maakt. Niet alleen in verhalen, maar ook in harde euro’s.

   

Geen reacties » | Permanente link

De rol van de hulpverlening verandert. Dit geldt vooral voor de maatschappelijke dienstverlening en voor de begeleidingsfuncties, die naar de WMO overgaan. Het uitgangspunt is immers dat burgers meer voor zichzelf en voor elkaar gaan zorgen.

Dit betekent dat de taak van de hulpverlener wijzigt. Hulpverleners komen steeds meer in de rol van wegwijzer, begeleider en coach terecht en voeren de dienstverlening steeds minder zelf uit. Hulpverleners gaan bijvoorbeeld op zoek naar iemand, die de moeilijke formulieren in kan vullen, en zullen dit steeds minder zelf doen. Hun sociale functie vervalt en cliënten zijn daarvoor aangewezen op een vrijwilliger of op activiteiten in de buurt. Zorgen voor wordt zorgen dat.

Veel hulpverleners moeten wennen aan deze nieuwe rol. Zij hebben het gevoel dat zij de cliënt niet echt helpen als zij alleen maar informatie meegeven of als zij een vrijwilliger of een mantelzorger inschakelen. Veel organisaties proberen hun medewerkers dan ook bij deze omslag te helpen en te ondersteunen.

Ik realiseer me echter steeds meer dat niet alleen hulpverleners aan de nieuwe manier van dienstverlening moeten wennen, maar ook cliënten en hun omgeving. Cliënten verwachten vaak dat problemen voor hen opgelost worden en dat moeilijke taken van hen worden overgenomen. Daardoor zijn cliënten en hun omgeving vaak teleurgesteld in de hulpverlening, zij krijgen immers niet de hulp die ze verwacht hadden. De veranderende hulpverlening zal dus aan de cliënten, aan hun omgeving en aan de maatschappij moeten worden uitgelegd. Hier ligt een taak voor hulpverleners, maar er ligt ook een taak voor de overheid. Het is belangrijk dat cliënten weten wat ze kunnen verwachten van de hulpverlening, maar ook waar ze niet (meer) op kunnen rekenen.

   

Geen reacties » | Permanente link

Sep 1

Armoede

geplaatst om 14:12 in categorie Algemeen, welzijn & maatschappelijke dienstverlening

In Nederland spreken we van armoede als een gezin een inkomen heeft van minder dan 11.532 euro per jaar. Dat is dus minder dan 1.000 euro per maand. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onderzoek gedaan naar de toekomst van kinderen die in armoede opgroeien. Deze kinderen komen op volwassen leeftijd niet vanzelf ook in armoede terecht. Het is dus in Nederland mogelijk om van een dubbeltje een kwartje te worden.

Toch zitten er wel een paar haken en ogen aan. Kinderen, die in armoede opgroeien, hebben twee keer zoveel kans dan kinderen, die niet in armoede opgroeien, om op volwassen leeftijd onder de armoedegrens te leven. Kinderen, die langdurig in armoede leven, hebben zelfs vier keer zoveel kans. 15% van deze kinderen leeft later ook in armoede. Bovendien zijn kinderen, die in armoede opgroeien, als volwassene vaker sociaal uitgesloten. Zij zijn immers niet gewend om op een sportclub te zitten, een verjaardagspartijtje te geven of op vakantie te gaan.

Het is een beetje dubbel. Armoede is in Nederland niet levenslang en dat is natuurlijk fantastisch. Toch hebben kinderen, die in armoede opgroeien, een slechtere prognose. Niet alleen financieel, maar ook sociaal.

Het blijft dus van belang dat er maatschappelijk aandacht wordt besteed aan kinderen uit arme gezinnen. Met name het uitbreiden van hun sociale activiteiten en van hun sociale vaardigheden is daarbij van belang. Of ze later arm blijven of rijk worden, een sociaal isolement is voor (bijna) niemand prettig.

 

   

Geen reacties » | Permanente link

May 1

Aandacht helpt

geplaatst om 20:47 in categorie welzijn & maatschappelijke dienstverlening

Opnieuw is aangetoond dat investeringen in welzijn en maatschappelijke dienstverlening rendabel zijn. Stichting Maat heeft namelijk op basis van onderzoek geconcludeerd dat ouderen, die de kans krijgen om over levensvragen te praten, minder snel naar de dokter gaan. Elke euro die geïnvesteerd wordt in aandacht, bespaart vier euro aan zorg.

Aandacht helpt dus. Aandacht voorkomt dat mensen psychische klachten ontwikkelen en het maakt dat mensen met lichamelijke klachten minder snel naar de dokter gaan. Aandacht werkt preventief. Dit lijkt geen opzienbarende uitkomst, het is immers iets wat we allang weten. Toch vind ik het belangrijk dat dergelijke fenomenen met onderzoek worden onderbouwd. Ik hoop namelijk dat beleidsmakers hun beleid op basis van dergelijk onderzoek aanpassen. Op dit moment bezuinigen veel gemeenten op welzijn en maatschappelijke dienstverlening. Dat is zonde. Overheden en zorgverzekeringen zouden juist méér moeten investeren in activiteiten, die een preventieve werking hebben. Zij moeten investeren in “aandacht”. Dat is niet alleen prettig voor de burgers, omdat zij zich daardoor minder ziek voelen en de kwaliteit ven hun leven verbetert. Het is nog kostenbesparend ook.

Lees ook mijn eerdere blog over dit onderwerp: http://evelinekroezen.c3log.nl/het-rendement-van-welzijn-maatschappelijke-dienstverlening/

   

Geen reacties » | Permanente link

Wilt u deze berichten via de email?


Zoeken